Verklarende woordenlijst voor het vak NLold


aanplempen laag gelegen terrein, sleuven, enz. ophogen of aanvullen door materiaal in het water te storten
aanwassen aangroei van land door sedimentatie
achterhar heel post verticale balk in sluisdeur (puntdeur) aan de kant van de sluiswand
achterkade kade die het land moet beschermen tegen opdringend water uit het achterland
achterwende oude naam voor de dijk aan de landzijde van een rivierpolder, moest deze polder beschermen tegen water uit het veengebied
afkalven beschadiging van een aarden beloop of het afnemen van een oeverrand door golfslag of stroom
afstoppen het met puin en kleine stukken steen vol slaan van de openingen tussen de stenen van een steenglooiing
baardwerk met zand gevulde rijshoutconstructie; vormde vroeger veelal de kern van kribben
ballasthok vak gemaakt van tuinen waarin ballast voor afzinken komt
bandijk Rivierdijk, dijk van het winterbed
banket horizontaal gedeelte in een talud; ook gebruikt als ophoging op het strand tegen de duinvoet
bedijking gebied dat natuurlijk al vrij hoog is komen te liggen (bijv. door aanslibbing) en beschermd wordt tegen stormvloeden door een dijk
beer gemetselde waterkering
bekrammen Een aarden beloop met een dunne laag stro of riet bedekken en dit laagje met beugels van stro aan de grond bevestigen ter bescherming van de grond tegen golfslag en stroom
beloop schuine kant (talud) van een ophoging (bijv. een dijk) of uitgraving
bemalen waterstand in een polder regelen door een gemaal
beslag bodembescherming bestaande uit een laag rijshout of riet, bezet met tuinen, of soms met ijzerdraden aan paaltjes
beteugelingsdam Ter beperking van de stroom door een geul, slenk, sluitgat, enz. gelegde dam
blees dat deel van een stuk rijshout waar de bladeren gezeten hebben
bleeslaag oeverbeschermingsconstructie van dun rijswerk dat in continu proces gemaakt en gezonken kan worden (kan dus heel lang zijn)
blinde palen palen die niet boven het zetwerk uitsteken
bloksteen Voor steenglooiing geschikte stenen, die vrij regelmatig rechthoekig zijn gehakt op ongeveer gelijke afmetingen
boezem gebied in een polder dat gebruikt wordt voor (tijdelijke) opslag van water
boezemkade waterkering langs een boezem
compartimenteringsdijk dijk die een polder onderverdeeld met als doel te voorkomen dat bij dijkdoorbraak de hele polder inundeert
dijkleger De gezamenlijke arbeiders, die lang een dijk worden ingezet als er gevaar voor een doorbraak is
dijktafel register waarin de minimaal vereiste hoogte en afmeting van een dijk is vastgelegd; ander woord voor legger
dijkval plotseling bezwijken van een dijk door een zettingsvloeiing in de oever
dobbe komvormige uitholling in de grond, al dan niet omringd door een kade, voor het verzamelen en bewaren van zoet water
dromer derde dijk in een reeks, ligt achter de waker en de slaper
droogmakerij Uitgeveende plassen of meer, na omkading drooggemalen en verkaveld
dwarsraai meetlijn dwars op de kust of as van de rivier
elevator Machine, die met brede emmerbakken aan een ketting zonder eind, grond om hoog kan brengen
elevatorbak vaartuig (bak), meestal zonder aandrijving, geschikt om grond te transporteren en geleegd te worden door een elevator
giertij ander woord voor springtij
gors (mv. gorzen) intergetijdegebieden dat alleen bij springvloed nog onderloopt (term uit Zuid Holland, in Zeeland Schorren, in het waddengebied Kwelders)
griend (mv. grienden) laaggelegen (intergetijde-) gebieden die veelvuldig onder lopen
griendhout ander woord voor rijshout
grindkist grindpakket aangebracht aan de binnenteen van de dijk om te voorkomen dan uittredend water ook gronddeeltjes meespoelt
groene dijk dijk zonder steen- of asfaltbekleding
haalgolf golf die langs de oever loopt als op enige afstand ongeveer evenwijdig aan die oever een vaartuig voorbij vaart
hangstuk zinkwerk dat op de oever ligt, en met en verankering vastgelegd is om de voorkomen dat het naar beneden glijdt
ijsgang het afdrijven van grote hoeveelheden drijfijs op de rivier
inlaagdijk Dijk die achter een bestaande dijk gelegd wordt om bij het optreden van een dijkval inundatie van de achterliggende polder te voorkomen
inpeiling opmeting van de bodem voor aanvang van de werkzaamheden
inscharing afbrokkelen van een oever door uitschuring door de stroming
inwassen zand, grond of mortel met veel water in ander materiaal of in voegen doen dringen, bijv. in rijswerk, steenzettingen, en dergelijke
jaagpad pad dat vroeger langs een kanaal liep t.b.v. paarden de een schip voorttrokken
jokdorpel natuurstenen dorpel aan het einde van een sluiskolk
kadijk een kade langs een wetering
kanteldijk dijk aangelegd bij een tunnel om te voorkomen dat bij dijkdoorbraak de tunnel volloopt, en om te voorkomen dat bij doorbraak van de tunnel de polder volloopt
kesp draagbalk over een rij palen van een paalfundering
keur regelement ("wet") van een waterschap, heeft dezelfde status als een gemeentelijke politieverordening
keurzone gebied rond de dijk waar gebruiksbeperkingen zijn opgelegd door de keur
kieltuin de tuin op het diepste deel van het zinkstuk
kloeteling kubusvormige, aan een zijde met dicht gras begroeide spit klei, gestoken van een rijpe schor
knip een zeer taaie kleisoort
korengrond zanderige, kruimelige klei in Zeeuwse polders
kraagstuk zinkwerk dat zowel de oever als een deel van de bodem beschermt
krammat dunne laag van samengebonden rietstengels, met beugels van stro aan de grond vastgehecht
kreukelberm beneden hoog water gelegen, met stenen bestorte berm langs de teen van een dijk
kruien losgaan en met de stroom afdrijven van drijfijs
kunstwerk een civieltechnisch werk of installatie rond de natte en/of droge infrastructuur dat één of meer functies vervult
kwel Seepage uittredend grondwater
kwelder Saltmarsh intergetijdegebied dat alleen bij springvloed nog onderloopt (term uit het waddengebied, in Zeeland Schorren, in Zuid Holland Gorzen)
kwelkade een achter de bandijk gelegen ongeveer een halve meter hoge kade die het kwelwater opvangt
kwellengte Seepange length afstand, die het water door de grond moet afleggen om aan de binnenkant van een waterkering uit de grond te kunnen stromen
kwelscherm Seepage screen een ondoorlatende, in de regel verticale, constructie voor de verlenging van de kwelweg
kwelsloot Toe ditch Een sloot aan de binnenzijde van de dijk die tot doel heeft kwelwater op te vangen en af te voeren
kwelweg een mogelijk pad in de grond die het kwelwater aflegt, van intreepunt tot uittreepunt
landscheidingsdijk dijk tussen twee peilgebieden, is vaak ook de grens ussen twee polders
legger register waarin hoogte en afmetingen van een dijk zijn vastgelegd
liniedijk dijk die onderdeel is van een militair inundatiegebied
maaiveld de oppervlakte van een terrein
magere grond grond met een hoog zandgehalte
molentocht hoofdtocht van een polder, waar aan het eind een gemaal ligt
Muraltmuur Betonnen muurtje op de dijk om het waterkerend vermogen van de dijk te vergroten (genoemd naar De Muralt)
nol resterend einde van een overigens door de zee weggeslagen dijk
oeverval plotseling bezwijken van een oever door een zettingsvloeiing
onderloopsheid verschijnsel dat grondwater onder een constructie door loopt, en kwel veroorzaakt
opdijk dwarsdijk, dijk die van de landzijde naar de zeedijk loopt en de scheiding vormt tussen twee polders
opkisten een kist aanbrengen rond een zandmeevoerende wel
oplosser speciaal soort onderlosser, waarbij de bodemdeuren niet onder het schip uit komen
opperwater water dat van elders de rivier af komt stromen (dus niet afkomstig is van lokaal hemelwater)
opzinken stacking up willow mattresses het maken van een (afsluit)dam door het boven op elkaar afzinken van zinkstukken
overdijken een dijk iets hoger maken dan die aan de overzijde van de rivier met als doel te zorgen dat de dijk aan de andere zijde eerder overtroomd en de eigen dijk behouden blijft
overhoogte de extra hoogte die aan een dijk gegeven wordt ter compensatie van de klink
overlaat gedeelte van een waterkering, opzettelijk lager gemaakt om bij hoog water te kunnen overstromen
pakwerk oeververdediging van rijshout, door beperkte houdbaarheid niet meer toegepast
pand deel van een kanaal tussen twee sluizen
perkoen gepunte paal, meestal van vuren- of grenenhout
piket klein paaltje, te gebruiken als tijdelijk meetpunt in het veld
plakzode dunne graszode
plasberm met stenen bestorte berm lang de teen van een dijk ter hoogte van laag water
remmingwerk verticaal houten raamwerk bij invaart van sluizen, etc. om de schepen bij het invaren te geleiden
rietbeslag tijdelijke afdekking met riet als taludverdediging
rijsbeslag een laag rijshout die de grond bedekt, en aan de grond bevestigd is met paaltjes e/of ijzerdraad
rijsdam dam gemaakt van rijshout
rijshout brushwood wilgenhout (uitlopers van de stam), dunne takken, meestal zo'n vier jaar oud
rijspakwerk osier revetment oeverbescherming van rijshout en kraagstukken
rijte kanaal langs de polderzijde van een dijk (in Groningen)
rollaag rij vertikaal gemetselde bakstenen
rolsteen in stromend water rondgeslepen steen
schaardijk rivierdijk die zo dicht langs het zomerbed is gelegen, dat het water vlak langs de dijk stroomt en het onderwaterbeloop zou kunnen inscharen
schenkeldijk korte dijk die een dwarsverbinding vormt tussen twee dicht bij elkaar gelegen dijken
schor intergetijdegebied dat alleen bij springvloed nog onderloopt (term uit Zeeland, in Zuid Holland Gorzen, in het waddengebied Kwelders)
schorkloeten blokken klei van ca 0,2 x 0,2 x 0,2 m3 ,soms doorgroeid met wortels, en gebruikt als ballast bij afzinken van zinkstukken
sjorringtouw relatief dun touw, gebruikt voor het binden van zinkstukken
slaperdijk oude zeedijk die inmiddels vervallen is, omdat er een nieuwe dijk voor gebouwd is t.b.v. landaanwinning, maar toch als secundaire waterkering gehandhaafd wordt
slenk geul in bij laag water droogvallende gronden
slik opgeslibd gebied, tussen laag en hoog water, intergetijdengebied
slikken gebieden die bij laagwater droogvallen, intergetijdegebieden
specie opgebaggerd materiaal
spier weke vette klei (in Zeeland)
spuien krachtig laten wegstromen van water uit boezems of spuikommen
spuikom omkade plas waarin tijdens hoog water, water wordt ingelaten om het bij laag water in korte tijd te kunnen spuien om zo een geul voor een haventje op diepte te kunnen houden
stootijzer ijzeren staaf met stalen kop en punt, door steenzetters gebruikt om blokken op hun juiste plaats te krijgen
stortebed bestorting van de bodem met breuksteen, meestal op een zinkstuk
stortebed bodembescherming aan de uitstroomzijde van een gemaal, etc. om verdieping of ontgronding door uitstromend water te voorkomen
strang dode rivierarm
strekdam dam evenwijdig aan de oever van een rivier om de stroom te geleiden; soms ook langskrib genoemd (NB dit woord wordt vaak ten onrechte ook gebruikt voor een rivierkrib of een strandhoofd)
stuifdijk zanddijk langs de kust, gevormd door opvangen van stuivend zand met schermen
suatiesluis Uitwateringssluis
talud de schuinte van het zijvlak van aardwerken, dijken, spoorbanen, vestingwerken
tiendweg onsluitingsweg in een polder, vaak iets verhoogd aangelegd met aan beide zijden een sloot, lijkt daarom op een dijkje
tijwerk werkzaamheden die afhankelijk zijn van het getij, dus allen bij hoogwater of alleen bij laagwater gedaan kunnen worden
tocht hoofdafwateringskanaal van een polder
tonrondte iets gebogen vorm van een talud
tuimeldijk lage dijk die zo ontworpen is dat bij hoge waterstand overstroming toegelaten kan worden
tuin eigenlijk 'vlechttuin', opstaande rij palen op een zinkstuk met daardoorheen gevlochten rijshout, ter voorkoming van het afrollen van ballaststeen
uitpeiling opmeting van de bodem na afloop van de werkzaamheden
uitschotlaag laag rijsbossen, die verder in het water reikt dan de daarvoor gelegde laag, bij het uitvoeren van bleeslaag of baardwerk
vaart tocht die ook voor scheepvaart gebruikt kan worden
val zie dijkval of oeverval
veek Flotsam drijvend afval op het water
veekrand aangespoeld drijfvuil dat de hoogste waterstand (incl. Golfoploop) op een oever markeert
verhang gradient gradiënt van de waterspiegel, waterstandsverschil (verval) per afstandseenheid
verskade tijdelijke kade gelegd om buitendijks gelegen terreinen, waaruit grond gewonnen wordt voor de dijkaanleg
verval verschil in hoogte tussen twee aangrenzende waterspiegels, of het hoogteverschil van de waterspiegel tussen twee punten langs een rivier; verval per afstandeenheid is verhang
vingerling omringdijk om een funderingsput of dijkdoorbraak
vingerling hersteldijk die achter een wiel om aangelegd is
vlechttuin opstaande rij palen op een zinkstuk met daardoorheen gevlochten rijshout, ter voorkoming van het afrollen van ballaststeen
vleugelmuur muur die niet evenwijdig aan (bijv. de sluisas) loopt, maar onder een kleine hoek
vlijlaag laag plat geplaatste stenen in een talud, waarop later de zetsteen geplaatst wordt
vloedplank schotbalk die geplaatst wordt in een coupure omdeze bij stromvloed te sluiten (deze term wordt niet bij rivierkeringen gebruikt)
voorland terrein aan de zeezijde van een waterkerende dijk
voorversching Dat gedeelte van den nieuwen zeedijk, waarmede de te bedijken schorren het eerst van de zee worden afgesloten. Woord gebruikt door Vierlingh, maar in begin 20e eeuw nog steeds in gebruik.
voorwende oude naam voor de dijk langs een rivier bij een rivierpolder
waakhoogte Freeboard hoogte van een waterkering boven de stand van het te keren water (vrijboord)
waker zeewerende dijk, achter een waker ligt een slaperdijk
waterbezwaar water dat door diverse oorzaken de polder instroomt, en door spuien of bemaling verwijderd moet worden
watergang kanaal voor de afvoer van polderwater
wel well plek waar water (meestal verticaal) met enige snelheid geconcentreerd uit de bodem komt stromen
welton ton met een bodem met daarop een pijp voor het bedwingen van een wel
wetering brede, gegraven afwateringskanaal
wiel bij een dijkdoorbraak ontstaan meertje ter plaatse van de stroomgeul
wiep faggot bundel van rijshout, met omtrek van ca. 50 cm
wierdijk dijk met een wieriem
wierriem muur of wal van zeegras, vroeger gebruikt als glooiingsverdediging
winterbed uiterwaard
winterdijk bandijk van de rivier, uiterste begrenzing van het winterbed
worteleind landwaartse einde van een krib of dam
zandmeevoerende wel erosieverschijnsel waarbij uittredend kwelwater zand uitspoelt; een wel die zand meevoert uit de ondergrond en die zo onbeheersbaar kan worden dat dit leidt tot piping
zate ondergrond waarop een dijk gebouwd wordt, of het terrein wat gebruikt wordt voor de constructie van een zinkstuk
zetting Settlement de verticale vervorming van grondlagen, hoofdzakelijk ten gevolge van bovenbelasting
zetwerk oeverbekleding van zorgvuldig geplaatste stenen
ziende palen palen die een korte afstand boven het zetwerk uitsteken
zijdewende dijk bij een onbedijkte rivier (bijv. bij onbedijkte Maas) loodrecht op de rivier om stroming in het overstroomde hoogwaterbed te voorkomen
zijl Uitwateringssluis
zolderbak eenvoudige doosvormige bak, gebruikt als ponton voor diverse werkzaamheden
zool de onderkant van een dijk, terp of kade
zwalpen zware (houten) balken in een sluisvloer tegen opdrukken